BSOH Consensus EN 689:2018 April 2022

Vragen rond toepassing NBN 689

  1. Waarom wordt overgegaan tot metingen?
  2. Aantal metingen per SEG volgens NBN 689:2018?
  3. Binnen welke tijdsperiode moeten de initiële metingen afgerond worden?
  4. Hoe kan de conclusie van de metingen best geformuleerd worden in het meetverslag?
  5. Wat is het maximale tijdsinterval voor periodieke metingen?
  6. Hoeveel periodieke metingen moeten er gedaan worden?
  7. Wat te doen als de ondergrens van de meetmethode boven 10% van de grenswaarde ligt?
  8. Wat te doen als één of meerdere van de metingen boven de grenswaarde ligt?
  9. Hoeveel metingen voor een situatie waar adembescherming wordt voorgeschreven vanwege mogelijke of gekende overschrijding van de grenswaarde en omdat andere (technische) maatregelen niet praktisch realiseerbaar zijn?
  10. Kan op een gemotiveerde wijze gestopt worden met meten?
  11. Hoe moet toetsing aan de grenswaarde van gelijktijdige blootstelling aan meerdere chemische agentia onder NBN 689 worden uitgevoerd?

Status van dit advies: Goede praktijk richtlijn op basis van de stand van de wetenschap. De richtlijn is niet bindend, maar leden van de BSOH kunnen eraan refereren in hun meetplannen en -verslagen. Bij afwijking van de richtlijn dient argumentatie te worden gegeven.

 
Q1.         Waarom wordt overgegaan tot metingen?
Antwoord NBN 689:
Wanneer er onvoldoende informatie is tijdens de ‘basic characterisation[1] om te kunnen besluiten dat blootstelling beneden of boven de grenswaarde van het betreffende chemische agens ligt voor een bepaalde SEG (para 5.1.5). Het besluit om metingen te gaan uitvoeren en hoe die te doen moet worden opgeschreven in een meetplan (para 5.2).
 
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Een volledige ‘basic characterisation’ is altijd vereist, of er nu wel of geen metingen worden gedaan. NBN 689, hoofdstuk 6 geeft aan dat het resultaat en de conclusies van de basic characterisation moeten worden opgenomen in het meetverslag. In de praktijk kan men ook aan een apart document refereren waar de basic characterisation is vastgelegd, met bijvoorbeeld een volledige opsomming van chemische agentia, de toxicologische eigenschappen (en eventueelà hazard banding), processen en werkomstandigheden/omgevingsparameters.
Het is van belang om in het meetverslag duidelijk de betrokken SEG(s) aan te geven. Wanneer er meerdere SEGs zijn en hoewel voor elke SEG er een basic characterisation moet worden gedaan, kan het efficient zijn om als onderdeel van de basic characterisation de SEG met de hoogste verwachte blootstelling aan een bepaald agens aan te geven, voor eventuele extrapolatie van gemeten blootstelling van deze SEG naar SEGs met lagere verwachte blootstelling.

 
Q2.         Aantal metingen per SEG volgens NBN 689:2018?
Antwoord NBN 689:
Het doel van de metingen is vaststelling van de blootstelling ten opzichte van de grenswaarde. De norm vraagt tenminste 3 en tot 5 geldige initiële metingen binnen een SEG om een preliminaire test te doen (para 5.5.2). Een meting (en het resultaat) kan ongeldig worden verklaard in geval van bijvoorbeeld een vermoeden van sabotage of slecht functioneren van de meetapparatuur. In de volgende tekst wordt steeds uitgegaan van geldige metingen.
De norm geeft het volgend aan:

  1. Als de eerste 3 metingen allemaal < 10% van grenswaarde zijn kan men stoppen met meten en besluiten dat de grenswaarde niet wordt overschreden.
  2. Als één van de eerst 3 metingen groter is dan 10% van de grenswaarde maar niet groter dan de grenswaarde zelf blijft de situatie ‘onbeslist’, en moet een vierde meting gedaan worden. Als alle metingen dan < 15% van grenswaarde zijn kan men besluiten dat de grenswaarde niet wordt overschreden.
  3. Als één van de eerst 4 metingen groter is dan 15% van de grenswaarde maar niet groter dan de grenswaarde zelf blijft de situatie ‘onbeslist’, en moet een vijfde meting gedaan worden. Als alle metingen dan < 20% van grenswaarde zijn kan men besluiten dat de grenswaarde niet wordt overschreden.
  4. Als één van de eerst 5 metingen groter is dan 20% van de grenswaarde maar niet groter dan de grenswaarde zelf blijft de situatie ‘onbeslist’, en moet een zesde meting gedaan worden en kan worden overgegaan tot een statistische test.
  5. Wanneer één meting van deze eerste set van 3, 4 of 5 metingen boven de grenswaarde valt besluit men dat de grenswaarde wordt overschreden (para 5.5.2, punt b.).

De norm geeft ook aan hoe met 6 of meer geldige metingen binnen een SEG een statistische test te doen (para 5.5.3), waarin de geschatte beroepsmatige blootstelling, in de vorm van de bovengrens van het 70%-betrouwbaarheidsinterval van het 95-percentiel, berekend met behulp van het geometrisch gemiddelde en de geometrische standaarddeviatie van de reeks van 6 of meer metingen, vergeleken wordt met de grenswaarde.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
De norm geeft niet aan of er op basis van 1 of 2 metingen een uitspraak kan worden gedaan over het al dan niet overschrijden van de grenswaarde. De BSOH beveelt aan om tenminste 3 metingen te doen voor dit doel om de variatie in de werkomstandigheden, de analytische onzekerheid en de random steekproefonzekerheid (zie EN482) enigszins te ondervangen. 1 of 2 metingen kunnen eventueel wel dienen ter bevestiging van de inschatting in de basic characterisation. De norm sluit ook niet uit dat men een statistische test doet met minder dan 6 metingen; de BSOH beveelt desondanks aan om in dat geval alleen het schema van de preliminaire test te volgen.
Wanneer er direct een groot aantal metingen wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld 20 of meer), kan theoretisch bij een enkel resultaat boven de grenswaarde de bovengrens van het 70% betrouwbaarheidsinterval van het 95-percentiel toch beneden de grenswaarde liggen en besluit men dat de grenswaarde niet wordt overschreden volgens NBN 689. Dit is mogelijk eerder uitzonderlijk.
In het geval van overschrijding van de grenswaarde wordt aanbevolen een ‘plan van aanpak’ op te stellen om beheersmaatregelen in te voeren en de blootstelling te verlagen. Wanneer dat plan is geïmplementeerd ontstaat er een nieuwe situatie waarvoor opnieuw de basic characterisation moet worden gedaan, eventueel gevolgd door metingen. Als er (mogelijk op tijdelijke basis totdat technische verbeteringen zijn gerealiseerd) wordt overgegaan tot invoering van adembeschermingsmiddelen (ABMs), dan dienen die te worden gespecificeerd op basis van de bestaande metingen en de protectiefactoren van de betreffende ABM(s).
Wanneer de initiële metingen worden uitgevoerd op een werkplek waar al ABMs worden toegepast, beveelt de BSOH aan om de meetapparatuur buiten de ABM te plaatsen.

 
Q3.         Binnen welke tijdsperiode moeten de initiële metingen afgerond worden?
Antwoord NBN 689:
Dit wordt niet gespecificeerd.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Alle metingen dienen representatief te zijn, dat wil zeggen dat mogelijke variatie in blootstelling, veroorzaakt door bijvoorbeeld omgevingsfactoren of werkgewoontes van individuele werknemers binnen een SEG, wordt ondervangen. Dat vereist een zekere spreiding in de tijd en de bemeten personen. Anderszins is de werkgever wettelijk verplicht de risico’s te kennen, waarvoor de meetresultaten nodig kunnen zijn en die dus binnen een redelijke termijn moeten worden uitgevoerd. De BSOH adviseert om tenminste de eerste 3 (of meer: 4, 5 of 6 afhankelijk van het schema in para 5.5.2) initiële metingen, nodig om tot een uitspraak te komen over de mogelijke overschrijding van de grenswaarde, binnen een periode van een jaar uit te voeren. Als er seizoensinvloeden zijn op de omgevingsfactoren is het goed om bijvoorbeeld de spreiding in de tijd op tenminste 3 maanden te zetten of in ‘worst case’ omstandigheden te meten, bijvoorbeeld bij droog en warm weer voor stofmetingen in de buitenlucht. Anderzijds kunnen bijvoorbeeld ook op één dag twee verschillende werknemers bemeten worden, bijvoorbeeld in een ochtenddienst en een avonddienst, met name waar het proces weinig verschilt van dienst tot dienst en van dag tot dag, en zo veel sneller en efficienter werken. In alle gevallen is het aangeraden het meetplan zorgvuldig te documenteren en verantwoording te geven voor bijvoorbeeld de gekozen spreiding in de tijd en omstandigheden.

 
4.            Hoe kan de conclusie van de metingen best geformuleerd worden in het meetverslag?
Antwoord NBN 689:
NBN 689 is gericht op bepaling van beroepsmatige blootstelling in vergelijking met de grenswaarde voor een chemisch agens. De conclusie van de metingen moet dan ook geformuleerd worden met verwijzing naar de grenswaarde, zowel voor het geval dit is gebaseerd op de preliminaire test, als  op de statistische test. Sectie 6 van NBN 689 geeft aan hoe het meetverslag dient te worden opgesteld.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
In het algemeen beschouwt de arbeidshygienist een situatie waar de blootstelling aan chemische agentie beneden de grenswaarde ligt als ‘aanvaardbaar’, met andere woorden er is geen directe aanleiding om verbeteringen aan te raden. Dit is mogelijk een intuitief duidelijkere conclusie voor de opdrachtgever dan de bewoording van de CWW: bijlage VI.1-1 D.10° spreekt over “vergelijking van de blootstelling met de grenswaarde”. De BSOH beveelt aan om specifiek in het meetverslag ook te spreken over “kleiner dan” of “groter dan”, of “overschrijding van” de grenswaarde.
 
Het meetverslag moet volgens NBN 689, para 6, ook ‘details of quality assurance (e.g., expanded uncertainty according to EN 482)’ bevatten. De ‘expanded uncertainty’ is de combinatie van de analytische onzekerheid en de steekproefonzekerheid. NBN 689 geeft niet aan hoe dit verder te interpreteren. De BSOH heeft op dit moment geen bijkomende suggestie.
Tot slot moet de conclusie van de metingen uiteraard worden gebruikt om de risico analyse aan te passen zoals aangegeven in het schema in Figuur 1 van NBN 689.

 
Q5.         Wat is het maximale tijdsinterval voor periodieke metingen?
Antwoord NBN 689:
Waar er geen significante veranderingen plaats vinden op een werkplek die de blootstelling aan het chemisch agens beinvloeden, beveelt de norm in sectie 7 aan om op jaarlijkse basis de risico analyse te herbeoordelen. Deze periodieke herbeoordeling kan gebeuren op diverse manieren zoals beschreven in de informatieve Annex A. Eén van de mogelijkheden is om gebruik te maken van metingen en daarvoor wordt een periodiciteit aanbevolen in de informatieve Annex I.
De periodiciteit wordt bepaald door het gemiddelde van de beschikbare metingen, als volgt:

  • Bij minder dan 6 beschikbare metingen (Annex I):
    1. Gemiddelde beneden 10% van de grenswaarde: 36 maanden
    2. Gemiddelde tussen 10 en 25% van de grenswaarde: 24 maanden
    3. Gemiddelde tussen 25 en 50% van de grenswaarde: 18 maanden
    4. Gemiddelde groter dan 50% van de grenswaarde: 12 maanden
  • Als er al 6 of meer metingen zijn gedaan: gebruik de formule in Annex I van de EN 689

Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Gemiddelde: Annex I legt op om het GM te gebruiken voor lognormaal verdeelde steekproeven en het AM voor normaal verdeelde steekproeven. Annex E geeft dan weer een procedure om te bepalen of de meetserie normaal of lognormaal verdeeld is met een Shapiro-Wilk test (dat is de W-test in IHStat). De voorbeelden in Annex E werken met grotere data sets. Voor kleine sets, bijvoorbeeld van 3 metingen, beveelt de BSOH aan om het GM te gebruiken, omdat zoals bekend zowat alle meetseries lognormaal verdeeld zijn.
Het schema hierboven bij minder dan 6 metingen wordt dan:

  1. Geometrisch gemiddelde beneden 10% van de grenswaarde: 36 maanden
  2. Geometrisch gemiddelde tussen 10 en 25% van de grenswaarde: 24 maanden
  3. Geometrisch gemiddelde tussen 25 en 50% van de grenswaarde: 18 maanden
  4. Geometrisch gemiddelde groter dan 50% van de grenswaarde: 12 maanden

Begin van het tijdsinterval voor de periodiciteit: Dit gaat in vanaf de datum van de laatste meting of vroeger.

 
Q6.         Hoeveel periodieke metingen moeten er gedaan worden?
Antwoord NBN 689:
De informatieve Annex I geeft aan dat bijkomende meetresultaten kunnen worden samengevoegd met de initiële meetresultaten om een totaal van tenminste 6 te bekomen, waarop dan het beslisschema van 5.5.2 opnieuw wordt toegepast en een statistische test wordt gedaan volgens 5.5.3.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Als er bijvoorbeeld al 5 initiële metingen waren hoeft er dus maar 1 nieuwe gedaan te worden om de statistische procedure toe te passen.
Annex I geeft niet expliciet aan dat de 6 metingen vervolledigd moeten worden bij de eerste periodieke herbeoordeling. Een enkele meting kan dus ook volstaan bij een bestaande uitkomst van niet-overschrijding van de grenswaarde op basis van 3 initiële metingen < 0.1 GW, waarop nu het schema van 5.5.2 voor 4 metingen wordt toegepast. Afhankelijk van de uitkomst kan dan de vijfde meting pas na het volgende tijdsinterval worden gedaan of sneller.
Anderszijds kunnen nieuwe metingen ook in grotere bestaande series van 6 of meer worden opgenomen en de statistische test wordt dan opnieuw gedaan op het geheel.
Uiteraard is dit alles alleen van toepassing op ongewijzigde situaties.
 

 
Q7.         Wat te doen als de ondergrens van de meetmethode boven 10% van de grenswaarde ligt?
Antwoord NBN 689:
Dit wordt niet gespecificeerd. Annex H gaat uitgebreid in op het onderwerp van de detectiegrens (LOD of LOQ) in het algemeen en hoe resultaten beneden de detectiegrens te verwerken.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Natuurlijk is het beter om een voldoende gevoelige methode in te zetten die wel lager dan 10% van de grenswaarde kan meten. Maar als dit niet mogelijk is kan men, rekening houdend met het schema in 5.5.2, meer metingen doen tot een maximum van 6. Als er 2 of meer metingen boven de LOQ zijn kan Annex H worden toegepast, samen met de statistische test van 5.5.3. Als er geen of slechts één meting boven de LOQ is, is de situatie formeel onbeslist, maar met gebruik van Annex I en ervan uitgaande dat de niet-gekwantificeerde waarden op het LOQ liggen, kan men toch tot een besluit komen. Impliciet betekent dit dat de grenswaarde niet overschreden wordt en ook het periodiciteitsschema van Annex I dat het gemiddelde gebruikt kan worden toegepast.

 
Q8.         Wat te doen als één of meerdere van de initiële metingen boven de grenswaarde ligt?
Antwoord NBN 689:
Zoals duidelijk aangegeven in sectie 5.5.2, punt b, voor een meetset van minder dan 6 initiële metingen waarmee men een preliminaire test wil doen leidt een resultaat van één van die metingen boven de grenswaarde tot de beslissing dat de beroepsmatige blootstelling de grenswaarde overschrijdt. Anderszijds kan bij een grote initiële meetset en statistische test volgens sectie 5.5.3 een aanvaardbaar kleine overschrijdingskans resulteren, zie ook de bijkomende opmerking bij Q2.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Bij een resultaat boven de grenswaarde in een kleine serie van initiële metingen heeft het dus geen nut om verder te meten, omdat de conclusie van overschrijding van de grenswaarde al getrokken is en de werkgever verwacht wordt om aanpassingen te doen.

 
Q9.         Hoeveel metingen voor een situatie met overschrijding van de grenswaarde en waar adembescherming wordt voorgeschreven?
Antwoord NBN 689:
Dit wordt niet gespecificeerd.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Hoewel dit niet in de scope van NBN 689 valt kan er wel een analogie worden toegepast. NBN 689 houdt geen rekening met PBM’s (zie bijvoorbeeld sectie 6: ‘If RPE is used, the results of measurements do not correspond to the concentration inhaled by the workers and this shall be reported’), neemt de codex deze bescherming wel in rekening.
Het adembeschermingsmiddel (ABM) moet voldoende efficient zijn om de feitelijke blootstelling wel onder de grenswaarde te houden. Daarvoor wordt nu uitgegaan van de Protection Factors per type masker, zoals beschreven in Appendix C van EN 529 voor een aantal landen. Belgie heeft geen eigen lijst van protectiefactoren, dus leveranciers van ABM’s zullen mogelijk hun eigen aanbevelingen doen. De BSOH beveelt aan dat werkgevers en arbeidshygienisten aan de leveranciers om bewijs vragen van de Protection Factors. De BSOH beveelt aan om de protectie factor toe te passen op het hoogste gemeten resultaat, of op de UTL95;70% als er 6 of meer meetresultaten beschikbaar zijn. Ook hier geldt een minimum van 3 metingen om enig inzicht te krijgen in de variabiliteit van de blootstellingen.
NBN 689 vraagt om metingen in de ademzone (sectie 5.2.2). Bij gebruik van ABM’s die een goede aansluiting met het gelaat vereisen, beveelt de BSOH aan de meting buiten het ABM uit te voeren maar wel nog steeds in de ademzone van de werknemer, met name omdat de aanwezigheid van staalnameapparatuur binnen een ABM zeer waarschijnlijk de beschermende werking nadelig beïnvloedt door de verstoorde aansluiting tussen ABM en gelaat.

 
Q10.      Kan op een gemotiveerde wijze gestopt worden met meten?
Antwoord NBN 689:
Ja. Wanneer een conclusie van niet-overschrijding van de grenswaarde is bereikt op basis van initiële metingen (zie secties 5.5.2 en 5.5.3) of ook bijkomende periodieke metingen, moet deze informatie verwerkt worden in de risico analyse, zie ook Figuur 1. Wat niet gestopt kan worden is de periodieke (jaarlijkse) herbeoordeling volgens sectie 7. Het uitvoeren van metingen is slechts één van de opties daarbij.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
Ook bij vastgestelde overschrijding van de grenswaarde heeft verder meten in het algemeen weinig zin. Om een plan van aanpak te kunnen definiëren, bijvoorbeeld om te weten hoeveel de beroepsmatige blootstelling moet worden teruggebracht, kan het nuttig zijn om daarvoor nog enkele verdere metingen te voorzien.

 
Q11.      Hoe moet toetsing aan de grenswaarde van gelijktijdige blootstelling aan meerdere chemische agentia onder NBN 689 worden uitgevoerd?
Antwoord NBN 689:
Dit wordt in het normatieve deel van de norm slechts zeer oppervlakkig behandeld (para 5.5.1), maar verwijst dan naar de informatieve Annex C voor de benadering per meting.
Bijkomende opmerkingen van de BSOH:
De samenwerking tussen Annexen C en F is niet uitgewerkt. NBN 689 stelt een algemene benadering voor die volgens twee verschillende benaderingen mathematisch berekend kan worden en die tot verschillende resultaten leiden.

  1. Eerst de gezamenlijke blootstellingsindex berekenen per meting en daarna op de blootstellingsindexen van al de metingen Annex F toepassen. De vraag daar is of de gezamenlijke blootstellingsindices ook weer lognormaal verdeeld zijn.
  2. Eerst de estimatoren voor de populatiegemiddelden en –standaardafwijkingen berekenen per individuele component en daarna daarmee de estimatoren voor de populatiegemiddelden en –standaardafwijkingen van de som van de verdelingen van de individuele componenten. Op basis daarvan kan dan Annex F toegepast worden.

Het antwoord op deze vraag is nog in beraad.
Een mogelijke derde benadering gebaseerd op toxicokinetiek wordt ook genoemd maar niet uitgewerkt.
De voorgestelde benaderingen beantwoorden aan de wettelijke vereisten. De eerste benadering waarbij alle agentia worden opgeteld ongeacht de gezondheidseffekten is de meest conservatieve. De te volgen benadering is best al uitgewerkt in de ‘basic characterisation’. Een bijkomend probleem betreft de statistische uitwerking van de blootstellingsgegevens ten opzichte van de grenswaarde (additieve blootstellingsindex van 1.0) zoals beschreven in 5.5.2 en 5.5.3 voor enkelvoudige meetresultaten.
Tot slot wordt opgemerkt dat in veel gevallen niet alle aanwezige chemische agentia op een workplek ook echt worden gemeten, bijvoorbeeld omdat de ingezette meetmethodes niet geschikt zijn voor al deze agentia.

 

[1] Er is vooralsnog geen nederlandse vertaling van NBN 689 bij ons bekend. De franse versie gebruikt voor ‘basic’ de term ‘préalable’, wat vertaald kan worden als ‘voorafgaand’. In de nederlandstalige versie van dit document blijven we de term ‘basic characterisation’ gebruiken, omdat die gangbaar is in de internationale arbeidshygienische praktijk, zie bijvoorbeeld Tools for the Practicing Industrial Hygienist op: IH Apps & Tools | AIHA